De minimum leeftijd waarop een klein vaarbewijs mag worden afgegeven is:
Toon antwoord
Correct antwoord
b. 18 jaar
Proefexamen voor het Vaarbewijs 1 (voorganger van het Klein Vaarbewijs 1), gepubliceerd door VAMEX in 2008. De vragen staan in de originele volgorde.
De minimum leeftijd waarop een klein vaarbewijs mag worden afgegeven is:
Correct antwoord
b. 18 jaar
Dit is ondermeer van kracht op de:
Correct antwoord
a. Noord
Een vaarwater is:
Correct antwoord
c. het gedeelte van een vaarweg dat feitelijk door de scheepvaart kan worden gebruikt
Welke navigatielichten mag een klein motorschip langer dan 7 meter voeren?
Correct antwoord
d. Toplicht, boordlichten en heklicht
Hoe mag een klein motorschip het toplicht voeren?
Correct antwoord
c. In de lengteas, ten minste één meter hoger dan de boordlichten
In een nauw vaarwater wil een klein zeilschip X een klein zeilschip Y voorbij lopen. Welke regel is van kracht?
Correct antwoord
a. Schip X moet schip Y zo mogelijk aan diens loefzijde voorbij lopen
Een 'snel schip' en een klein motorschip naderen elkaar met kruisende koersen en er dreigt gevaar voor aanvaring. Wat is juist?
Correct antwoord
c. Het snelle schip verleent voorrang aan het kleine motorschip
U vaart met een klein motorschip aan stuurboordwal. Er nadert op tegenkoers een klein zeilschip dat met zijn zeilen over bakboord voor de wind vaart en zijn bakboordwal houdt. Er dreigt gevaar voor aanvaring. Welke bewering is juist?
Correct antwoord
b. U heeft voorrang omdat u uw stuurboordzijde van het kanaal houdt
Een klein schip dat niet op radar vaart op een vaarwater dat niet genoemd wordt in bijlage 9 en tijdens slecht zicht de vaart voortzet, mag een mistsein geven. 1 Dit mistsein bestaat (te geven met tussenpozen van ten hoogste één minuut) uit:
Correct antwoord
c. één lange stoot
U nadert een brug welke de volgende lichten toont: Een rood licht met direct daaronder een groen licht. Wat betekent dit?
Correct antwoord
a. Doorvaart verboden maar zal aanstonds worden toegestaan
Op de in bijlage 15 onder a van het BPR vermelde drukke doorgaande hoofdvaarwegen, met uitzondering van de Geldersche IJssel, de Boven-Merwede, de Neder-Rijn en het Pannerdensch Kanaal 1 geldt dat:
Correct antwoord
b. een klein schip zoveel mogelijk de stuurboordwal moet houden
Welke navigatieverlichting mag een klein motorschip in het RPR-gebied voeren?
Correct antwoord
b. Een rondom schijnend wit licht (in plaats van het toplicht en het heklicht) en de boordlichten
. Mag u met een zeilschip langer dan 20 meter door het kanaal van Gent naar Terneuzen varen met gehesen zeilen?
Correct antwoord
b. Neen, ook niet met de motor bij
Het smeeroliepeil moet regelmatig worden gecontroleerd. Wat kunnen de gevolgen zijn van een te laag oliepeil?
Correct antwoord
b. Onvoldoende smering en daardoor te weinig motorkoeling
Een buitenboordmotor is in een zogenoemde motorbun geplaatst. Waar moet u tijdens het gebruik op letten?
Correct antwoord
c. De bun voldoende toevoer van buitenlucht heeft
Voor welke branden is water als blusmiddel geschikt?
Correct antwoord
b. Voor klasse A-branden
Voor ieder gasverbruikstoestel dient een afsluiter te zitten. Als verbinding tussen deze afsluiter en het cardanisch opgehangen verbruikstoestel mag een rubber gasslang gebruikt worden. Om minimaal hoeveel tijd moet deze gasslang worden vernieuwd?
Correct antwoord
d. drie jaar
Hoeveel reddingvesten wordt er geadviseerd minimaal aan boord te hebben van een klein schip?
Correct antwoord
c. Eén voor iedere opvarende
In het cardinale markeringssysteem kan een lichtboei ten noorden van een te markeren punt; 1 het volgende karakter hebben:
Correct antwoord
c. VQ
Bij een licht in de kaart staat vermeld: Iso 8s. 1 Dit betekent dat het licht:
Correct antwoord
b. 4 seconden aan en 4 seconden uit is
In de waterkaart staat bij een kanaal vermeld: D 12. Ook leest u op de kaart dat de diepten gegeven zijn in decimeters ten opzichte van kanaalpeil. KP = NAP+ 2 dm. In het kanaal is een peilschaal aangebracht waarop u afleest, dat de waterstand gelijk is aan NAP. De diepgang van het schip is 70 cm. 1 Bij doorvaart door het kanaal blijft onder de kiel nog over:
Correct antwoord
b. 30 cm
U meet volgens de schaal van Beaufort een windkracht 6. Dit is een:
Correct antwoord
a. krachtige wind
De wind is zuidoost. 1 De wind waait dan:
Correct antwoord
b. van het zuidoosten naar het noordwesten
Een schip voorzien van een linkse schroef ligt gestopt. Het is windstil. Het roer staat midscheeps. Wat gebeurt er als de schroef op achteruit wordt gezet?
Correct antwoord
a. Het achterschip trekt naar stuurboord
U wilt in een smal vaarwater keren. Dat kan niet in één keer. Uw schip heeft een rechtse schroef. Over welke boeg kunt u de manoeuvre het beste beginnen?
Correct antwoord
a. Over stuurboord
Bij een gemeerd liggend schip loopt een van de trossen van de bolder (of kikker) op het voorschip naar een vast punt op de wal ter hoogte van de midscheeps. Hoe noemt men deze tros?
Correct antwoord
d. Voorspring
Hoe worden manoeuvres op stromend water die te maken hebben met aankomen, afvaren, als ook ankeren bij voorkeur uitgevoerd?
Correct antwoord
c. Tegenstrooms
Bij het schutten meert u af met twee sliptrossen. Moet u deze altijd in de hand houden?
Correct antwoord
b. Ja, in alle gevallen
Bron: Proefexamen Vaarbewijs 1, 2008, uitgegeven door VAMEX.
Bekijk het originele document (PDF)
Schip Ahoy is niet verbonden aan VAMEX.