Laden...

Proefexamen Klein Vaarbewijs 1, juni 2012

VAMEX juni 2012 30 vragen Klein Vaarbewijs 1

Proefexamen voor het Klein Vaarbewijs 1, gepubliceerd door VAMEX in juni 2012. De vragen staan in de originele volgorde met antwoorden en toelichtingen.

1
2 punten

Volgens de wet is het verboden te varen als men teveel alcohol heeft genuttigd. Voor wie geldt dit verbod?

a. Alleen voor de schipper.
b. Voor de schipper en voor degene die het schip stuurt.
c. Alleen voor degene die het schip stuurt.
Toon antwoord

Correct antwoord

b. Voor de schipper en voor degene die het schip stuurt.

2
2 punten

U vaart van Lith via de Maas naar het Kanaal St.Andries. U schut via de sluis St.Andries naar de Waal en vaart naar Tiel. Met welk scheepvaartreglement of met welke scheepvaartreglementen heeft u onderweg te maken?

Vraagafbeelding
a. Eerst met het BPR en daarna met het RPR.
b. Eerst met het RPR en daarna met het BPR.
c. Alleen maar met het BPR.
d. Alleen maar met het RPR
Toon antwoord

Correct antwoord

a. Eerst met het BPR en daarna met het RPR.

3
2 punten

Dit artikel gaat over goed zeemanschap onder bijzondere omstandigheden. Wat betekent dit volgens het BPR voor de schipper?

a. Dat hij in het belang van de veiligheid en goede orde zo nodig moet afwijken van de regels.
b. Dat hij in het belang van de veiligheid en goede orde desgewenst mag afwijken van de regels.
c. Dat hij in het belang van de veiligheid en goede orde nooit mag afwijken van de regels.
Toon antwoord

Correct antwoord

a. Dat hij in het belang van de veiligheid en goede orde zo nodig moet afwijken van de regels.

4
2 punten

Welke navigatielichten moet een klein zeilend schip dat tevens de motor gebruikt volgens het BPR 's nachts voeren?

a. Boordlichten en een heklicht verenigd in één lantaarn (driekleurenlicht) in de top van de mast èn onder dit licht een toplicht.
b. Toplicht, boordlichten en heklicht.
c. Boordlichten en heklicht verenigd in één lantaarn (driekleurenlicht) of boordlichten en een heklicht.
Toon antwoord

Correct antwoord

b. Toplicht, boordlichten en heklicht.

5
2 punten

Wat geeft een baggerwerktuig volgens het BPR overdag aan wanneer het aan één kant een rode bol en aan de andere kant twee groene ruiten voert?

Vraagafbeelding
a. Dat een voorbijvarend schip aan de zijde van de groene ruiten moet passeren.
b. Dat voorbij varen niet is toegestaan.
c. Dat tijdens het voorbijvaren geen hinderlijke waterbeweging mag worden veroorzaakt.
d. Dat ter plaatse de vaarregels voor een engte gelden.
Toon antwoord

Correct antwoord

a. Dat een voorbijvarend schip aan de zijde van de groene ruiten moet passeren.

6
2 punten

Een snel schip moet, volgens het BPR, voorrang verlenen aan een ander schip. Moet dit onder alle omstandigheden?

a. Neen, niet ten aanzien van door spierkracht voortbewogen vaartuigen.
b. Neen, niet wanneer het schip zelf zijn stuurboordzijde van het vaarwater volgt.
c. Ja, er zijn geen uitzonderingen op deze regel.
Toon antwoord

Correct antwoord

c. Ja, er zijn geen uitzonderingen op deze regel.

7
2 punten

In de situatie als op het plaatje hiernaast, naderen twee kleine schepen een engte. Klein motorschip X vaart voor stroom. Klein zeilschip Y zeilt over bakboordboeg. Gelijktijdige doorvaart is niet mogelijk. Wat regelt het BPR?

Vraagafbeelding
a. Dit is niet geregeld; goede zeemanschap toepassen.
b. Schip X moet voorrang verlenen.
c. Schip Y moet voorrang verlenen.
Toon antwoord

Correct antwoord

c. Schip Y moet voorrang verlenen.

8
2 punten

Mag, volgens het BPR, een schip zich met de stroom laten meedrijven zonder dat het van enig middel tot voortbeweging gebruik maakt?

a. Neen, dat is onder alle omstandigheden verboden.
b. Ja, want het BPR regelt dit niet.
c. Ja, als dit zonder hinder voor de scheepvaart kan.
Toon antwoord

Correct antwoord

a. Neen, dat is onder alle omstandigheden verboden.

9
2 punten

Een klein schip vaart aan stuurboordzijde van het betonde vaarwater. Van buiten de vaargeul nadert van bakboord een schip met een gele ruit. Er bestaat gevaar voor aanvaring. Regelt het BPR dit? Zo ja, hoe?

a. Ja, het kleine schip moet voorrang verlenen.
b. Ja, het schip met de gele ruit moet voorrang verlenen.
c. Het BPR regelt dit niet.
Toon antwoord

Correct antwoord

b. Ja, het schip met de gele ruit moet voorrang verlenen.

10
2 punten

Een verzoek voor het bedienen van een beweegbare brug kan kenbaar worden gemaakt door een geluidssein. Welk sein is dit volgens het BPR?

a. Eén lange stoot: ____
b. Drie lange stoten: ____ ____ ____
c. Eén lange, één korte en één lange stoot: ____ __ ____
Toon antwoord

Correct antwoord

c. Eén lange, één korte en één lange stoot: ____ __ ____

11
2 punten

U ligt met uw schip gemeerd in een sluis. Mag u volgens het BPR uw schroef gebruiken?

a. Ja, het is toegestaan de schroef in werking te hebben.
b. Ja, het is zelfs aanbevolen de schroef in werking te hebben.
c. Nee, het is verboden de schroef in werking te hebben.
Toon antwoord

Correct antwoord

c. Nee, het is verboden de schroef in werking te hebben.

12
2 punten

Wat moet volgens het BPR de bestuurder van een snelle motorboot doen, die één of meer waterskiërs voortbeweegt?

a. Een mede-opvarende van tenminste 15 jaar oud als uitkijk aanstellen.
b. Er voor zorgen dat de skiër tenminste 15 jaar oud is.
c. Een reddingsvest dragen.
Toon antwoord

Correct antwoord

a. Een mede-opvarende van tenminste 15 jaar oud als uitkijk aanstellen.

13
2 punten

Moet men in het Nederlandse RPR-gebied aan boord van een snelle motorboot een registratiebewijs hebben?

a. Neen, dit is slechts van toepassing binnen het BPR-gebied.
b. Ja, maar in dit geval verstrekt door de Rijnvaartcommissie.
c. Ja, hetzelfde registratiebewijs als bedoeld in het BPR. SCHEEPVAARTREGLEMENT KANAAL GENT - TERNEUZEN
Toon antwoord

Correct antwoord

c. Ja, hetzelfde registratiebewijs als bedoeld in het BPR. SCHEEPVAARTREGLEMENT KANAAL GENT - TERNEUZEN

14
2 punten

Artikel 9 SRKGT. Een klein schip volgt de richting van het kanaal. Wat schrijft het SRKGT voor?

a. Midden vaarwater varen en alleen bij tegemoet komend verkeer uitwijken naar stuurboord.
b. Altijd stuurboordwal houden zo dicht als veilig en uitvoerbaar is.
c. Uitsluitend tijdens beperkt zicht stuurboordwal houden zo dicht als veilig en uitvoerbaar is.
Toon antwoord

Correct antwoord

b. Altijd stuurboordwal houden zo dicht als veilig en uitvoerbaar is.

15
2 punten

U heeft in uw schip een set van twee accu's staan, die volgens bijgevoegd plaatje zijn geschakeld. Hieronder volgen twee beweringen over deze accu’s. U moet die los van elkaar lezen. Let op: elke bewering kan juist zijn of onjuist. Bewering I: Dit is een 24 Volts systeem. Bewering II: Om deze accu's op te laden moet u altijd de blauwe kabel losmaken. Welke bewering is juist of onjuist?

Vraagafbeelding
a. Beweringen I en II zijn beide juist.
b. Beweringen I en II zijn beide onjuist.
c. Bewering I is juist en II is onjuist.
d. Bewering I is onjuist en II is juist.
Toon antwoord

Correct antwoord

c. Bewering I is juist en II is onjuist.

16
1 punt

Waarom moet een wierfilter worden geïnstalleerd?

a. Om het water in een 'gesloten' koelsysteem te filteren.
b. Om het vuil uit de smeerolie te filteren.
c. Om het condenswater uit de dieselolie te filteren.
d. Om te voorkomen dat er vuil in het koelsysteem komt.
Toon antwoord

Correct antwoord

d. Om te voorkomen dat er vuil in het koelsysteem komt.

17
2 punten

Hoe kan men bij het starten van een benzinemotor het brand- en explosiegevaar zoveel mogelijk voorkomen?

a. Door een ventilatietoevoer zo diep mogelijk in de machinekamer aan te brengen.
b. Door de motorluiken open te zetten.
c. Door een gasdetector onder de motor aan te brengen.
d. Door een vonkvrije ventilator de dampen onder de motor te laten afzuigen.
Toon antwoord

Correct antwoord

d. Door een vonkvrije ventilator de dampen onder de motor te laten afzuigen.

18
2 punten

Een gasdetector is uitgerust met één of meer sensoren. Waar dienen deze sensoren te worden geplaatst?

a. Zo dicht mogelijk bij de stuurstand mits deze binnen is geplaatst.
b. Zo dicht mogelijk boven een verbruikstoestel waarop wordt gekookt.
c. In het laagst gelegen gedeelte van de ruimte waarin een verbruikstoestel is geplaatst.
Toon antwoord

Correct antwoord

c. In het laagst gelegen gedeelte van de ruimte waarin een verbruikstoestel is geplaatst.

19
2 punten

Hoeveel reddingvesten wordt er geadviseerd minimaal aan boord te hebben van een klein schip?

a. Eén voor iedere opvarende.
b. Eén voor iedere opvarende plus een reserve.
c. Eén voor de stuurman en één voor degenen die aan dek werken.
Toon antwoord

Correct antwoord

a. Eén voor iedere opvarende.

20
2 punten

Een schip volgt de zwarte pijl. De bolle ton is van onderen groen en van boven rood. Wat is juist ten aanzien van hoofdvaarwater - nevenvaarwater?

Vraagafbeelding
a. Het schip blijft het hoofdvaarwater volgen.
b. Het schip komt uit een nevenvaarwater en vaart het hoofdvaarwater in.
c. Het schip komt uit een hoofdvaarwater en vaart het nevenvaarwater in.
Toon antwoord

Correct antwoord

b. Het schip komt uit een nevenvaarwater en vaart het hoofdvaarwater in.

21
2 punten

Wat is het karakter van een schitterlicht (Fl)?

a. Het schijnsel is korter dan de verduistering.
b. De verduistering is korter dan het schijnsel.
c. De verduistering is even lang als het schijnsel.
Toon antwoord

Correct antwoord

a. Het schijnsel is korter dan de verduistering.

22
2 punten

Wat is juist ten aanzien van de afgebeelde verkeerstekens?

Vraagafbeelding
a. Een groot zeilschip mag niet voorbij het linkse en niet voorbij het rechtse teken.
b. Een klein zeilschip mag wel voorbij het linkse teken.
c. Een zeilplank mag niet voorbij het linkse en niet voorbij het rechtse teken.
Toon antwoord

Correct antwoord

c. Een zeilplank mag niet voorbij het linkse en niet voorbij het rechtse teken.

23
2 punten

U vaart in een kanaal met vaste bruggen. De doorvaarthoogte is volgens de kaart 35 dm (gegeven in decimeters ten opzichte van het kanaalpeil (KP)). De vaarweg is volgens de kaart 10 dm diep (gegeven in decimeters ten opzichte van het kanaalpeil (KP)). KP = NAP - 2 dm. De waterstand in het kanaal kan variëren. De hoogte van uw schip is 25 dm. U wilt 1 dm speling over houden tijdens onderdoorvaren van de brug. De diepgang van uw schip is 10 dm. U wilt 1 dm kielspeling overhouden. Wat is de juiste waterstand om, met de gewenste speling, onder de brug door te kunnen varen?

a. De waterstand mag niet hoger dan NAP + 7 dm en niet lager dan NAP - 1 dm zijn.
b. De waterstand mag niet hoger dan NAP + 11 dm en niet lager dan NAP + 3 dm zijn.
c. De waterstand mag niet hoger dan NAP + 8 dm en niet lager dan NAP -1 dm zijn.
Toon antwoord

Correct antwoord

a. De waterstand mag niet hoger dan NAP + 7 dm en niet lager dan NAP - 1 dm zijn.

24
2 punten

Met welke term wordt windkracht 5 volgens Beaufort aangeduid?

a. Vrij krachtige wind.
b. Matige wind.
c. Harde wind.
Toon antwoord

Correct antwoord

a. Vrij krachtige wind.

25
2 punten

Op de weerkaart ziet u de isobaren in een bepaald gebied ver van elkaar liggen. Wat kunt u in dit gebied verwachten?

a. Harde wind.
b. Zwakke wind.
c. Windvlagen.
Toon antwoord

Correct antwoord

b. Zwakke wind.

26
2 punten

Een schip met een linkse schroef ligt gestopt. Het is windstil. Het roer staat midscheeps. Wat gebeurt er als de schroef op achteruit wordt gezet?

a. Het schip vaart in een rechte lijn achteruit.
b. Het achterschip trekt naar bakboord.
c. Het achterschip trekt naar stuurboord.
Toon antwoord

Correct antwoord

c. Het achterschip trekt naar stuurboord.

27
2 punten

Bij windstilte vaart u achteruit. Uw schip heeft een linkse schroef. U geeft stuurboord roer. Naar welke kant gaat het achterschip?

a. Recht achteruit.
b. Naar bakboord.
c. Naar stuurboord.
Toon antwoord

Correct antwoord

c. Naar stuurboord.

28
2 punten

U vaart met uw schip een sluis binnen. U kunt kiezen om af te meren aan stuurboord of bakboord. U heeft de wind van achter in. Het schip heeft een linkse schroef. Welke lijn geeft u bij voorkeur als eerste uit?

a. Stuurboord achtertros.
b. Bakboord achtertros.
c. Stuurboord voortros.
d. Bakboord voortros.
Toon antwoord

Correct antwoord

a. Stuurboord achtertros.

29
2 punten

Hierna volgen twee beweringen over manoeuvreren. U moet die los van elkaar lezen. Let op: elke bewering kan juist zijn of onjuist. Bewering I: Een noodstop kunt u maken door volle kracht achteruit te slaan. Bewering II: De wind komt dwars van stuurboord in. U wilt, gelet op uw vaarrichting, aan bakboord afmeren. Uw afmeerplaats ligt aan lagerwal. Zie plaatje. Welke bewering is juist of onjuist?

Vraagafbeelding
a. Beweringen I en II zijn beide juist.
b. Beweringen I en II zijn beide onjuist.
c. Bewering I is onjuist en II is juist.
d. Bewering I is juist en II is onjuist.
Toon antwoord

Correct antwoord

a. Beweringen I en II zijn beide juist.

30
2 punten

Wat is de 'dode hoek' van een schip?

a. Het gebied vóór de boeg van een binnenschip dat door de schipper vanuit zijn stuurhut niet kan worden overzien.
b. Het gedeelte van een nevenvaarwater dat vanuit de stuurhut van een in het hoofdvaarwater varend binnenschip niet kan worden overzien.
c. De ruimte tussen de stuurboordzijde van het binnenschip en de wal, die het nodig heeft voor het uitzwaaien van het achterschip wanneer het bakboord uit draait.
Toon antwoord

Correct antwoord

a. Het gebied vóór de boeg van een binnenschip dat door de schipper vanuit zijn stuurhut niet kan worden overzien.

Bronvermelding

Bron: Proefexamen Klein Vaarbewijs 1, juni 2012, uitgegeven door VAMEX.

Bekijk het originele document (PDF)

Schip Ahoy is niet verbonden aan VAMEX.