Volgens de wet is het verboden te varen als men teveel alcohol heeft genuttigd. Voor wie geldt dit verbod?
Toon antwoord
Correct antwoord
b. Voor de schipper en voor degene die het schip stuurt.
Proefexamen voor het Klein Vaarbewijs 1, gepubliceerd door VAMEX in juni 2012. De vragen staan in de originele volgorde met antwoorden en toelichtingen.
Volgens de wet is het verboden te varen als men teveel alcohol heeft genuttigd. Voor wie geldt dit verbod?
Correct antwoord
b. Voor de schipper en voor degene die het schip stuurt.
U vaart van Lith via de Maas naar het Kanaal St.Andries. U schut via de sluis St.Andries naar de Waal en vaart naar Tiel. Met welk scheepvaartreglement of met welke scheepvaartreglementen heeft u onderweg te maken?
Correct antwoord
a. Eerst met het BPR en daarna met het RPR.
Dit artikel gaat over goed zeemanschap onder bijzondere omstandigheden. Wat betekent dit volgens het BPR voor de schipper?
Correct antwoord
a. Dat hij in het belang van de veiligheid en goede orde zo nodig moet afwijken van de regels.
Welke navigatielichten moet een klein zeilend schip dat tevens de motor gebruikt volgens het BPR 's nachts voeren?
Correct antwoord
b. Toplicht, boordlichten en heklicht.
Wat geeft een baggerwerktuig volgens het BPR overdag aan wanneer het aan één kant een rode bol en aan de andere kant twee groene ruiten voert?
Correct antwoord
a. Dat een voorbijvarend schip aan de zijde van de groene ruiten moet passeren.
Een snel schip moet, volgens het BPR, voorrang verlenen aan een ander schip. Moet dit onder alle omstandigheden?
Correct antwoord
c. Ja, er zijn geen uitzonderingen op deze regel.
In de situatie als op het plaatje hiernaast, naderen twee kleine schepen een engte. Klein motorschip X vaart voor stroom. Klein zeilschip Y zeilt over bakboordboeg. Gelijktijdige doorvaart is niet mogelijk. Wat regelt het BPR?
Correct antwoord
c. Schip Y moet voorrang verlenen.
Mag, volgens het BPR, een schip zich met de stroom laten meedrijven zonder dat het van enig middel tot voortbeweging gebruik maakt?
Correct antwoord
a. Neen, dat is onder alle omstandigheden verboden.
Een klein schip vaart aan stuurboordzijde van het betonde vaarwater. Van buiten de vaargeul nadert van bakboord een schip met een gele ruit. Er bestaat gevaar voor aanvaring. Regelt het BPR dit? Zo ja, hoe?
Correct antwoord
b. Ja, het schip met de gele ruit moet voorrang verlenen.
Een verzoek voor het bedienen van een beweegbare brug kan kenbaar worden gemaakt door een geluidssein. Welk sein is dit volgens het BPR?
Correct antwoord
c. Eén lange, één korte en één lange stoot: ____ __ ____
U ligt met uw schip gemeerd in een sluis. Mag u volgens het BPR uw schroef gebruiken?
Correct antwoord
c. Nee, het is verboden de schroef in werking te hebben.
Wat moet volgens het BPR de bestuurder van een snelle motorboot doen, die één of meer waterskiërs voortbeweegt?
Correct antwoord
a. Een mede-opvarende van tenminste 15 jaar oud als uitkijk aanstellen.
Moet men in het Nederlandse RPR-gebied aan boord van een snelle motorboot een registratiebewijs hebben?
Correct antwoord
c. Ja, hetzelfde registratiebewijs als bedoeld in het BPR. SCHEEPVAARTREGLEMENT KANAAL GENT - TERNEUZEN
Artikel 9 SRKGT. Een klein schip volgt de richting van het kanaal. Wat schrijft het SRKGT voor?
Correct antwoord
b. Altijd stuurboordwal houden zo dicht als veilig en uitvoerbaar is.
U heeft in uw schip een set van twee accu's staan, die volgens bijgevoegd plaatje zijn geschakeld. Hieronder volgen twee beweringen over deze accu’s. U moet die los van elkaar lezen. Let op: elke bewering kan juist zijn of onjuist. Bewering I: Dit is een 24 Volts systeem. Bewering II: Om deze accu's op te laden moet u altijd de blauwe kabel losmaken. Welke bewering is juist of onjuist?
Correct antwoord
c. Bewering I is juist en II is onjuist.
Waarom moet een wierfilter worden geïnstalleerd?
Correct antwoord
d. Om te voorkomen dat er vuil in het koelsysteem komt.
Hoe kan men bij het starten van een benzinemotor het brand- en explosiegevaar zoveel mogelijk voorkomen?
Correct antwoord
d. Door een vonkvrije ventilator de dampen onder de motor te laten afzuigen.
Een gasdetector is uitgerust met één of meer sensoren. Waar dienen deze sensoren te worden geplaatst?
Correct antwoord
c. In het laagst gelegen gedeelte van de ruimte waarin een verbruikstoestel is geplaatst.
Hoeveel reddingvesten wordt er geadviseerd minimaal aan boord te hebben van een klein schip?
Correct antwoord
a. Eén voor iedere opvarende.
Een schip volgt de zwarte pijl. De bolle ton is van onderen groen en van boven rood. Wat is juist ten aanzien van hoofdvaarwater - nevenvaarwater?
Correct antwoord
b. Het schip komt uit een nevenvaarwater en vaart het hoofdvaarwater in.
Wat is het karakter van een schitterlicht (Fl)?
Correct antwoord
a. Het schijnsel is korter dan de verduistering.
Wat is juist ten aanzien van de afgebeelde verkeerstekens?
Correct antwoord
c. Een zeilplank mag niet voorbij het linkse en niet voorbij het rechtse teken.
U vaart in een kanaal met vaste bruggen. De doorvaarthoogte is volgens de kaart 35 dm (gegeven in decimeters ten opzichte van het kanaalpeil (KP)). De vaarweg is volgens de kaart 10 dm diep (gegeven in decimeters ten opzichte van het kanaalpeil (KP)). KP = NAP - 2 dm. De waterstand in het kanaal kan variëren. De hoogte van uw schip is 25 dm. U wilt 1 dm speling over houden tijdens onderdoorvaren van de brug. De diepgang van uw schip is 10 dm. U wilt 1 dm kielspeling overhouden. Wat is de juiste waterstand om, met de gewenste speling, onder de brug door te kunnen varen?
Correct antwoord
a. De waterstand mag niet hoger dan NAP + 7 dm en niet lager dan NAP - 1 dm zijn.
Met welke term wordt windkracht 5 volgens Beaufort aangeduid?
Correct antwoord
a. Vrij krachtige wind.
Op de weerkaart ziet u de isobaren in een bepaald gebied ver van elkaar liggen. Wat kunt u in dit gebied verwachten?
Correct antwoord
b. Zwakke wind.
Een schip met een linkse schroef ligt gestopt. Het is windstil. Het roer staat midscheeps. Wat gebeurt er als de schroef op achteruit wordt gezet?
Correct antwoord
c. Het achterschip trekt naar stuurboord.
Bij windstilte vaart u achteruit. Uw schip heeft een linkse schroef. U geeft stuurboord roer. Naar welke kant gaat het achterschip?
Correct antwoord
c. Naar stuurboord.
U vaart met uw schip een sluis binnen. U kunt kiezen om af te meren aan stuurboord of bakboord. U heeft de wind van achter in. Het schip heeft een linkse schroef. Welke lijn geeft u bij voorkeur als eerste uit?
Correct antwoord
a. Stuurboord achtertros.
Hierna volgen twee beweringen over manoeuvreren. U moet die los van elkaar lezen. Let op: elke bewering kan juist zijn of onjuist. Bewering I: Een noodstop kunt u maken door volle kracht achteruit te slaan. Bewering II: De wind komt dwars van stuurboord in. U wilt, gelet op uw vaarrichting, aan bakboord afmeren. Uw afmeerplaats ligt aan lagerwal. Zie plaatje. Welke bewering is juist of onjuist?
Correct antwoord
a. Beweringen I en II zijn beide juist.
Wat is de 'dode hoek' van een schip?
Correct antwoord
a. Het gebied vóór de boeg van een binnenschip dat door de schipper vanuit zijn stuurhut niet kan worden overzien.
Bron: Proefexamen Klein Vaarbewijs 1, juni 2012, uitgegeven door VAMEX.
Bekijk het originele document (PDF)
Schip Ahoy is niet verbonden aan VAMEX.